Het leven gaf een nieuwe partner, een nieuwe vorm van gezinsleven, een samen zijn.

De sporen van de loskoppeling zijn voor de buitenwereld niet zichtbaar maar zijn er altijd. Want dan wordt een kind ziek. Of ziek, het kind is niet ziek maar moet wel naar het ziekenhuis, vaak. In periodes zit ik 2 tot 3 x per week met het kind in het ziekenhuis. Moeten er gesprekken gevoerd worden, beslissingen genomen die ingrijpend zijn in het leven. Vraagt het veel van het kind, van mij, van onze agenda’s. Er volgt een opname, operatie, langdurig herstel.

Vanuit ons rechtssysteem ben ik bevoegd om al deze gesprekken te voeren, beslissingen te nemen. Het kind heeft geleerd dat ik te vertrouwen ben, dat alle veiligheid van mij komt. Dus ik moet er zijn, ik ben er, de hele opname, het hele herstel. Dat is goed, logisch, te verklaren, vanzelfsprekend.

En juist in deze periode mis ik de andere ouder. Niet als persoon, niet dat ik het gevoel heb dat ik daar veel steun of support van had gehad, niet omdat ik denk dat we het dan samen gedaan zouden hebben. Ik weet dat het strijd, emotie, gedoe had opgeleverd en ik iemand extra had gehad om voor te zorgen.

Ik mis dat er geen andere ouder is. Dat we de afspraken niet kunnen delen, de nachten in het ziekenhuis. Dat alle verantwoordelijkheid, alle veiligheid, alle strijd en alle tranen bij mij terecht komen. Ik mis samen doen. Want de nieuwe partner is niet de andere ouder, de nieuwe vorm van gezinsleven is niet hetzelfde, het samen zijn is vooral mijn samen zijn als mens, niet als ouder. En mocht ik twijfelen daarover dan vertelt het kind het, in niet mis te verstane woorden. JIJ MAMA. Alleen JIJ.